Munt van de maand
Elke maand verschijnt hier een klein artikel over een munt waarin de context van de munt beschreven wordt; wat was die munt waard en wat kon je ermee doen. Met mooie afbeeldingen ter illustratie. Klik op een afbeelding voor een vergroting. Meer informatie staat ook in de geschiedenis.
April 2026. Karolusdaalder uit Deventer
Rechts de afbeeldingen van een Karolusdaalder uit 1555, geslagen in Deventer. Met Karel V als keizer van het Duitse rijk.
Zilver, 38,75 gram, 40 mm diameter.
Sinds 1540 werden grotere zilveren munten geslagen en de daalder van 30 stuivers werd snel populair, zoals de Karolusdaalder. Het was een grote en indrukwekkende zilveren munt die bij grotere betalingen betrouwbaarder was dan een handvol kleine, mogelijk versleten stuivers.
Deze munt had een flinke koopkracht, vergelijkbaar met ongeveer 100 euro in 2026. Het daginkomen van een geschoolde arbeider lag indertijd rond de 8 stuivers per dag, dus deze daalder was het loon van zo'n 4 dagen werk! Voor een daalder kon je een gezin een week lang te eten geven met elke dag een brood, een liter melk, wat groenten, eieren en een stukje kaas.
Maar als je ziek was en de dokter moest langskomen, dan rekende die al snel 10 stuivers voor een consult, 10 stuivers voor een eenvoudige behandeling en 10 stuivers voor medicijnen. Dan was het twee weken honger lijden. Daarom waren kwakzalvers populair die voor een paar stuivers een wondermiddel verkochten tegen allerlei kwalen. Daar zat dan vaak wat alcohol en willekeurige kruidenextracten in, maar hielp niet tegen de kwaal. Mensen geloofden er vaak wel in (placebo-effect).
Maart 2026. Groot, Jan van Arkel, Utrecht
Rechts de afbeeldingen van een Groot van Jan van Arkel, Bisdom Utrecht, 3e of 4e emissie 1348-1363.
Zilver, 2,62 gram, 25mm diameter.
Eind 13e eeuw en begin 14e eeuw werden de eerste grooten geslagen in de Nederlanden, omdat de kleine middeleeuwse penningen niet voldeden voor de toenemende handel. Een groot of halve stuiver had in die tijd een koopkracht vergelijkbaar met ongeveer € 7 in 2026. Er gingen 8 tot 12 kleine penningen in één groot. Het daginkomen van een arbeider was in die tijd ongeveer 4 á 5 grooten. Voor één groot kocht je indertijd een dozijn eieren of een kilo kaas. Op de markt kon je ook een kip kopen voor ongeveer één groot. Een varken kostte al snel 24 grooten. Kleding was duur. Voor een eenvoudige tuniek betaalde je 25 tot 40 grootten. Voor een arbeider 6 tot 10 dagen loon. Maar prijzen fluctueerden sterk in de 14e eeuw die gekenmerkt werd door oorlogen en rampen.
Deze zilveren grooten waren een belangrijk betaalmiddel in de 14e eeuw en werden ook internationaal verhandeld vanwege hun hoge kwaliteit en betrouwbaarheid. Uit 1 kilo zilver werden ongeveer 300 grooten geslagen. Op basis daarvan kan je afleiden dat zilver halverwege de 14e eeuw een waarde had van bijna 7,5 gulden (300/40) per kilo. Hierin zijn de kosten van de muntslag niet meegenomen.
Februari 2026. Gulden van Willem I
Rechts de afbeeldingen van een gulden van Willem 1 uit 1832.
Zilver, 10,8 gram, 30mm diameter
Deze gulden was dus een flink bedrag en had ongeveer een koopkracht gelijk aan € 12,50 in 2026. Tussen 1830 en 1850 had een ongeschoolde arbeider in een machinefabriek in Amsterdam een inkomen van
ongeveer 10 gulden per week. In koopkracht dus ongeveer € 125 per week. Een arbeider met een gezin met 5 kinderen gaf per week uit aan huur f 0,90, aan brood en beschuit f 3,64, aan aardappelen f 1,32, aan overige voedingsmiddelen f 3,03 en f 0,63 aan andere zaken. Bij elkaar f 9,52. Dat was geen vetpot. Slecht eten, slechte huisvesting en geen reserves. Een houtzagersknecht met drie kinderen klaagde in die tijd over dure kleren. “Als ik, of een der mynen een jas, broek of ander kledingstuk, moet hebben, gebeurt het wel dat ik 10 of 12 gulden voorschot vraag van de patroon. De weken erop betekende dit hongerlyden. In zulke dagen eten wy droog brood”.
Vervoer was duur en deed men dus meestal te voet. De trekschuit was nog het minst duur, maar met 2,5 cent per persoon per kilometer, was een ritje voor 2 personen van 30 kilometer al een heel dagloon.
Januari 2026. Goudgulden Philips de Schone, Holland
Rechts de afbeeldingen van een goudgulden van Philips de Schone uit Holland, 1482 - 1506
Goud, 3,33 gram, 25 mm diameter
Een goudgulden van 20 stuivers was eind 15e eeuw een groot bedrag en had een koopkracht gelijk aan zo'n € 100 in 2026. Een inkomen van een arbeider was toen ongeveer 5 stuivers per dag, dus men moest 4 dagen werken voor één goudgulden.
Een reiziger kon met een budget van één goudgulden per dag redelijk comfortabel reizen. Voor 4 tot 8 stuivers had je een kamer in een herberg. Maaltijden bestonden uit stoofpotten, groenten, brood en lokale kazen. Prijzen vanaf 2 stuivers per maaltijd. Bier 1 stuiver per pint. Warm water in een houten bad kostte 2 stuivers. Dan ben je dus al snel 12-14 stuivers verder. Dan moest je vervoer per paard en wagen wel kunnen delen met één of twee anderen, anders kwam je niet uit met één gulden per dag.
Voor een goudgulden per maand kon je een redelijk huis huren. Daarvoor huurde je een stenen huis met bedstede, open haard en kookhoek, verdeeld over 2 kamers. Een kleiner, houten huisje met één kamer huurde je al voor 10 stuivers of minder per maand. De huurprijs van grote woningen in centra van grotere steden kon wel oplopen tot 5 goudguldens of meer per maand.
December 2025. Halve gulden van Wilhelmina
Rechts de afbeeldingen van een halve gulden van Wilhelmina uit 1913.
Zilver, 5 gram, 22 mm diameter.
Een halve gulden was in 1913 nog een behoorlijk bedrag en had een koopkracht gelijk aan zo'n € 7 in 2026. Een inkomen van een arbeider was toen zo'n 3 tot 4 gulden per dag per dag, maar een schoonmaakster kwam niet verder dan f 1,20 per dag.
Voor een halve gulden kon je in 1913 een mandje boodschappen halen met een kilo aardappelen, een pond kool, een brood, een liter melk en een stukje kaas. Prijzen gingen echter snel stijgen. Inkomens ook.
Een gezin met twee kinderen kon voor een halve gulden ook een ritje met de (paarden)tram maken.
Om rond te kunnen komen als gezin met een paar kinderen had je begin 19e eeuw minimaal zo'n
20 gulden nodig per week. Daarvoor huurde je een kleine woning met keuken, woonkamer en
twee slaapkamertjes. Men at dan met name aardappelen, bruine bonen, rijst en brood. Af en toe
wat vlees, vet of vis. En soms wat koffie of thee met een koekje erbij. Bij een inkomen van 30
gulden per week was er meer ruimte voor luxe, zoals de meeste dagen wat vlees of spek, meer
groente, een krant en een tijdschrift en kon men zich een rijwiel veroorloven.
November 2025. Kwart florijn van Friesland uit 1601.
Rechts de afbeeldingen van een kwart florijn van 7 stuivers, Friesland 1601
Zilver, 4,80 gram, 28 mm diameter.
Begin 17e eeuw was een relatief rustige periode in de 80 jarige oorlog. Het toezicht was lastig en er waren veel stedelijke munthuizen actief met als doel om winst te maken door munten om te smelten en nieuwe munten te slaan die lichter waren en of een lager zilvergehalte hadden. Hagemunterij heette dat.
Een kwart florijn van 7 stuivers had in 1601 een koopkracht gelijk aan zo'n € 7 tot € 10 in 2026. Een behoorlijk bedrag als je bedenkt dat het daginkomen van een arbeider toen ongeveer 10 stuivers was. In Amsterdam waren de lonen hoger met ongeveer 14 stuivers. Vrouwen verdienden minder dan mannen. Een ervaren Haarlemse bleekmeid verdiende in 1600 niet meer dan 8 stuivers per dag.
De inflatie was fors en de lonen stegen minder mee. Voor een kwart florijn kocht je toen niet veel meer dan een roggebrood en een pond kaas. Misschien nog een liter melk of bier erbij. Als daar een gezin van moest eten was dat een karig menu. Bij een inkomen van 10 stuivers had je dan nog 3 stuivers over. Ofwel zo’n 80 stuivers per maand. Voor een eenvoudig huisje betaalde je 40 stuivers per maand. En die andere 40 stuivers had je nodig voor wat verlichting (kaarsen) of verwarming (hout). Armoede dus.