Munt van de maand
Elke maand verschijnt hier een klein artikel over een munt waarin de context van de munt beschreven wordt; wat was die munt waard en wat kon je ermee doen. Met mooie afbeeldingen ter illustratie. Meer informatie staat ook in de geschiedenis.
Maart 2026. Groot, Jan van Arkel, Utrecht
Rechts de afbeeldingen van een Groot van Jan van Arkel, Bisdom Utrecht, 3e of 4e emissie 1348-1363. Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.
Zilver, 2,62 gram, 25mm diameter.
Eind 13e eeuw en begin 14e eeuw werden de eerste grooten geslagen in de Nederlanden, omdat de kleine middeleeuwse penningen niet voldeden voor de toenemende handel. Een groot of halve stuiver had in die tijd een koopkracht vergelijkbaar met ongeveer € 7 in 2026. Er gingen 8 tot 12 kleine penningen in één groot. Het daginkomen van een arbeider was in die tijd ongeveer 4 á 5 grooten. Voor één groot kocht je indertijd een dozijn eieren of een kilo kaas. Op de markt kon je ook een kip kopen voor ongeveer één groot. Een varken kostte al snel 24 grooten. Kleding was duur. Voor een eenvoudige tuniek betaalde je 25 tot 40 grootten. Voor een arbeider 6 tot 10 dagen loon. Maar prijzen fluctueerden sterk in de 14e eeuw die gekenmerkt werd door oorlogen en rampen.
Deze zilveren grooten waren een belangrijk betaalmiddel in de 14e eeuw en werden ook internationaal verhandeld vanwege hun hoge kwaliteit en betrouwbaarheid. Uit 1 kilo zilver werden ongeveer 300 grooten geslagen. Op basis daarvan kan je afleiden dat zilver halverwege de 14e eeuw een waarde had van bijna 7,5 gulden (300/40) per kilo. Hierin zijn de kosten van de muntslag niet meegenomen.
Februari 2026. Gulden van Willem I
Rechts de afbeeldingen van een gulden van Willem 1 uit 1832.
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.
Zilver, 10,8 gram, 30mm diameter
Deze gulden was dus een flink bedrag en had ongeveer een koopkracht gelijk aan € 12,50 in 2026. Tussen 1830 en 1850 had een ongeschoolde arbeider in een machinefabriek in Amsterdam een inkomen van
ongeveer 10 gulden per week. In koopkracht dus ongeveer € 125 per week. Een arbeider met een gezin met 5 kinderen gaf per week uit aan huur f 0,90, aan brood en beschuit f 3,64, aan aardappelen f 1,32, aan overige voedingsmiddelen f 3,03 en f 0,63 aan andere zaken. Bij elkaar f 9,52. Dat was geen vetpot. Slecht eten, slechte huisvesting en geen reserves. Een houtzagersknecht met drie kinderen klaagde in die tijd over dure kleren. “Als ik, of een der mynen een jas, broek of ander kledingstuk, moet hebben, gebeurt het wel dat ik 10 of 12 gulden voorschot vraag van de patroon. De weken erop betekende dit hongerlyden. In zulke dagen eten wy droog brood”.
Vervoer was duur en deed men dus meestal te voet. De trekschuit was nog het minst duur, maar met 2,5 cent per persoon per kilometer, was een ritje voor 2 personen van 30 kilometer al een heel dagloon.
Januari 2026. Goudgulden Philips de Schone, Holland
Rechts de afbeeldingen van een goudgulden van Philips de Schone uit Holland, 1482 - 1506
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.
Goud, 3,33 gram, 25 mm diameter
Een goudgulden van 20 stuivers was eind 15e eeuw een groot bedrag en had een koopkracht gelijk aan zo'n € 100. Een inkomen van een arbeider was toen ongeveer 5 stuivers per dag, dus men moest 4 dagen werken voor één goudgulden.
Een reiziger kon met een budget van één goudgulden per dag redelijk comfortabel reizen. Voor 4 tot 8 stuivers had je een kamer in een herberg. Maaltijden bestonden uit stoofpotten, groenten, brood en lokale kazen. Prijzen vanaf 2 stuivers per maaltijd. Bier 1 stuiver per pint. Warm water in een houten bad kostte 2 stuivers. Dan ben je dus al snel 12-14 stuivers verder. Dan moest je vervoer per paard en wagen wel kunnen delen met één of twee anderen, anders kwam je niet uit met één gulden per dag.
Voor diezelfde goudgulden kon je per maand een redelijk huis huren. Daarvoor huurde je een stenen huis met bedstede, open haard en kookhoek, verdeeld over 2 kamers. De huurprijs van grote woningen in centra van grotere steden kon wel oplopen tot 5 goudguldens of meer per maand.